Dijkhuis

Blog Nathalie Steffens: Geraakt

In de deuropening sta ik even stil, maak oogcontact met een aantal mensen en zwaai rustig. Enthousiast wordt er door een aantal bewoners terug gezwaaid. Maar niet door mevrouw Keizer. Mevrouw Keizer reageert zeer ingetogen. Het lijkt erop alsof ze gedag wil zeggen, maar halverwege stopt de energie. bDit is een hele verandering met vorige keren. De afgelopen maanden nam mevrouw namelijk altijd zelf initiatief en nodigde me uit om te gaan wandelen. Ze trok veel naar me toe. Wat een verschil.

Ik loop naar haar toe om te vragen hoe het gaat. Als ik naast haar zit, merk ik dat er iets wezenlijk anders is. Mevrouw kijkt stil voor zich uit. Haar gezichtsuitdrukking vind ik vlak. Als ik haar iets vraag, komt er wel antwoord, maar zonder de lach, zonder een knuffel via het hoofd. Eén ding is zeker, mevrouw zit er niet lekker bij. Zal het nu juist wel of juist niet gewenst zijn om tijd met haar door te brengen? Kan ik iets betekenen voor haar? Ik besluit het te vragen aan één van de verzorgende die verderop met de medicijnen in de weer is.

De verzorgende legt mij in de keuken uit dat mevrouw zich echt niet lekker voelt. Dat ze pas om vier uur uit bed wilde komen. Dat ze nog amper heeft gelopen vandaag. Dat als mevrouw nu rustig zit, ik haar beter haar rust kan geven en niet iets met haar ga ondernemen. En dan zegt ze: “Het kan ook zijn dat het kaarsje langzaam uit aan het gaan is.”

Ik voel een schok door mijn lichaam gaan. Hier had ik nog niet aan gedacht. Een griepje, ja. Niet lekker voelen, ja. Dat was allebei wel in mij opgekomen. Maar erger niet. Misschien had ik me daar onbewust wel voor afgeschermd. Vanuit de keuken kijk ik naar mevrouw Keizer, die tien meter verderop zit. Ze ziet er inderdaad kwetsbaar en anders uit dan voorheen. De sprankeling is niet aanwezig.  Veel tijd om hier bij stil te staan neem ik niet. Al merk ik wel dat het mij een zwaar gevoel geeft.

Als ik vervolgens na een lange wandeling met een andere bewoonster weer terug in de woonkamer kom, vraag ik de verzorgende of ik nog even bij mevrouw Keizer mag gaan zitten. Het is prima. Omdat mevrouw de afgelopen keren genoot van lichamelijk contact, stel ik haar de volgende vraag:

“Mevrouw, mag ik uw hand even vasthouden?”

Ze draait haar hoofd wat naar mij toe om, kijkt me met een doffe blik aan en antwoordt zacht: “Waarom?” Ze verrast me. Zo zitten we een poos stil naast elkaar. In gedachten stuur ik haar liefde. Zo voelt het (hopelijk voor haar ook) goed om gewoon maar te zitten, samen.  Na een tijd komen de zusters om haar naar bed te brengen.

Nadat ik gedag heb gezegd stap ik met lood in mijn schoenen de lift in. Beneden kom ik de directrice Jackie tegen. Als we even staan te praten over de brandweeroefening van vandaag en het afscheid van een medewerkster van morgen, floep ik het er opeens uit. Zonder inleiding of iets. Ik vertel Jackie dat ik geraakt ben door mevrouw Keizer. Dat ik er emotioneel van word. En dan ratel ik nog even door over wat er in me omgaat.

Jackie vangt me liefdevol op en antwoordt dat je de kwetsbaarheid van de bewoners soms pas echt goed ziet als ze ziek zijn. Dat het dan lijkt of ze een soort masker op hebben. Een hele andere uitdrukking. En ja, dat is precies wat ik gezien heb. Haar woorden steunen mij.

Tot slot geeft Jackie me nog het warme advies om niet met dit gevoel naar bed te gaan. Wat mij een goed plan lijkt. Nu ik een paar uur later in bed lig, merk ik dat ik er niet in geslaagd ben. Er vallen tranen op mijn kussen.

Nathalie Steffens, vrijwilliger